Mijn naam is Julie, 32 jaar en afkomstig uit Gent. Al jaren breng ik mijn zomers door op festivals en concerten, waar ik met veel plezier flexijobs doe. Omdat ik dit al zo lang doe, voelen die locaties en het werk inmiddels als mijn tweede thuis. Maar op 2 juli 2025, de allereerste werkdag van het nieuwe seizoen, ging het helemaal mis. Door een stom ongeluk viel ik uit een gator – een soort golfkarretje – en belandde ik met mijn achterhoofd rechtstreeks op de harde betonplaat. Hoewel de klap enorm was, stond ik vrij snel weer op. Ik was aanspreekbaar en reactief. Er kwamen direct verpleegkundigen bij om me te helpen en omdat er geen uiterlijke wonden te zien waren, dachten ze aan een lichte hersenschudding. Ik dacht toen nog: Oh nee, wat gaan deze festivaldagen zwaar worden met die hoofdpijn. Ik was er op dat moment heilig van overtuigd dat ik de dag erna gewoon weer aan het werk zou gaan.
Toch vertrouwde ik het niet helemaal en vroeg ik of er een arts naar me kon kijken. Een ambulance bracht me naar de centrale EHBO-post. Terwijl ik daar op de grond wachtte op een brancard, sloeg de situatie plotseling volledig om. Mijn hele lichaam begon hevig te rillen, de hoofdpijn werd ondraaglijk en ik voelde aan alles: dit is foute boel. Ik riep een verpleger. De arts die erbij kwam, zag meteen dat het misging. Vanaf dat moment belandde ik in een angstaanjagende stroomversnelling. Ineens stond er een heel medisch team om me heen. Op een gegeven moment kon ik mijn ogen niet meer open krijgen. Ik was volledig verlamd, maar ik hoorde alles. Ik merkte dat mijn ademhaling vertraagde. Eerst begon mijn linkerarm hevig te schokken, daarna mijn rechter. “Ze raakt in een epileptische shock”, hoorde ik een verpleegster nog roepen. En toen werd het zwart.
Ik werd wakker in het UZ Leuven, zonder enig besef van wat er in de tussentijd was gebeurd. Terwijl ik braaf de oneindige neurologische tests onderging – met mijn vingers naar mijn neus wijzen, knijpen in de handen van de arts – dacht ik nog steeds dat ik snel weer op de festivalweide zou staan. De realiteit bleek compleet anders. Pas toen hoorde ik de harde waarheid: ik was op de EHBO-post direct geïntubeerd en in een kunstmatige coma naar het ziekenhuis gebracht. De klap had twee hersenbloedingen veroorzaakt, die op hun beurt de epileptische shock uitlokten. Voor mijn familie waren de eerste 24 uur zenuwslopend en cruciaal. Pas na een tweede poging in de nacht kon ik eindelijk weer zelfstandig ademen. Het bleek het begin van een heel ander, loodzwaar verhaal.
De eerste maand was ik amper wakker. Alles deed pijn en ik was immens vermoeid; ik kon simpelweg niets meer. Gelukkig had ik een geweldig vangnet van familie en vrienden om me heen. Zonder hen zou ik echt niet weten hoe ik dit had moeten redden. Alles was zwaar, maar met dat ‘niets meer kunnen’ had ik het wel het moeilijkst. Ik bestond nog wel, maar daar hield het ook op. Alles wie ik was en waar ik voor stond, was in één klap weg. Ik kon niet eens meer denken of dromen. Alles voelde hol en leeg vanbinnen, en toch deed alles pijn. Het herstel ging tergend traag, met diepe dalen en helaas nog een aantal ziekenhuisopnames. Mijn immuniteit was volledig weg, net als vijftien kilo aan lichaamsgewicht. Wat me erdoorheen heeft gesleept, was een professioneel team van een neuroloog, neuropsycholoog en kinesist – én de doelstellingen die ik voor mezelf had opgeschreven. Elke kleine mijlpaal, hoe miniem ook, gaf me weer een sprankje hoop en de moed om door te gaan.
Ondanks mijn pogingen om positief en veerkrachtig te blijven, en ondanks de fantastische steun om me heen, zonk de moed me vaak in de schoenen. Er was geen eetlust, geen levenslust, geen vechtlust, geen slaaplust en geen ontmoetingslust. Alles wat me ooit interesseerde, was weg. Ik kon het me niet eens meer inbeelden. Alles waar ik vroeger energie van kreeg, zorgde nu voor een enorme weerslag. Het deed letterlijk pijn. Ik heb zo vaak gehoopt om maar even, al was het maar vijf minuten, ‘gewoon’ te zijn. Even terug naar de Julie van vóór het ongeval. Zelfs nu, een jaar later, is dat ‘gewoon zijn’ nog niet hetzelfde. Soms vind ik het moeilijk om me in te beelden hoe mijn oude ik was; de weg naar mezelf raak ik vaak even kwijt. Ik ben nog steeds op zoek naar mijn nieuwe ik. Maar beetje bij beetje ontdek ik weer een vleugje van vroeger. Zo ga ik binnenkort, na een jaar thuis, weer aan het werk. Ik prijs mezelf gelukkig met een werkgever die enorm flexibel is: ik mag starten op 20% en dit volledig op mijn eigen tempo invullen.
Ondanks het ongeluk weet ik hoeveel geluk ik heb gehad. Ik heb een tweede leven gekregen, waarin ik alles opnieuw ontdek op een andere manier. Sommige zaken zijn absoluut niet beter dan vroeger en daar zal ik me bij neer moeten leggen. Maar andere dingen verrassen me juist, en daar geniet ik nu intenser van. Op die momenten duikt mijn nieuwe ik op: een Julie die veel meer stilstaat bij het leven, hoe anders dat leven nu ook is.

