Skip to content

Doe mee. Maar liefst zonder lastig, ambitieus of anders te zijn. Mei 2026

Wie nog altijd denkt dat een invaliditeitsuitkering iets is dat je zomaar krijgt, heeft nooit gezien hoeveel energie het kost om te bewijzen dat je lichaam niet meer doet wat het ooit deed. Niemand wandelt een kantoor binnen, zegt dat het moeilijk gaat, en stapt buiten met steun. Daar gaan dossiers aan vooraf. Specialisten. Keuringen.  Formulieren. Controles. Wachtkamers vol mensen die uitgeput moeten uitleggen waarom ze uitgeput zijn.

Soms op dagen waarop tanden poetsen al een overwinning voelt. Maar over dat deel hoor je weinig. Wat we nog minder bespreken, is wat er gebeurt wanneer mensen met een beperking niet opgeven. Wanneer ze niet verdwijnen achter hun diagnose. Wanneer ze blijven zeggen: Ik wil meedoen.

Ik ben zo iemand. Ik werk vanuit mijn rolstoel. Niet omdat dat bewondering moet oproepen. Niet omdat ik applaus zoek. Maar omdat deelnemen aan het leven geen privilege hoort te zijn. Voor mij is deel uitmaken van de samenleving geen luxe. Het is een basisrecht.

En ja, ondanks mijn rolstoel heb ik ambitie. Blijkbaar is dat voor sommigen nog altijd een vreemd idee. Alsof iemand met een psychisch of fysiek letsel vooral dankbaar moet zijn dat er überhaupt werk is. Alsof talent minder waard wordt zodra je lichaam niet meer in het juiste vakje past. Alsof ambitie iets is voor gezonde mensen, en bescheidenheid het lot van de rest.

Met andere woorden: naast leven met je beperking, hoor je blijkbaar ook nog eens beperkt ambitieus te zijn. En toch zijn het zelden de grote dingen die je breken. Niet de operatie. Niet de diagnose. Niet eens het verlies. Het zijn de kleine dingen.

De dagelijkse botsingen met systemen die gebouwd zijn voor mensen die zonder nadenken kunnen instappen, uitstappen, wandelen, haasten.

Na mijn werk moest ik nog snel iets ophalen in de stad. Niets bijzonders. Gewoon leven. De parkeerplaatsen voor personen met een handicap waren volzet. Niet door mensen met een geldige kaart. Gewoon bezet. Door mensen voor wie die plaats handig was. Voor mij was ze noodzakelijk. Dus zocht ik een alternatief: een Shop & Go. Wat nergens vermeld stond, was dat mijn parkeerkaart daar niets veranderde.

In sommige gemeenten mag je met een geldige parkeerkaart in zo’n zone langer staan. Omdat men begrijpt dat een rolstoelgebruiker niet gewoon uitstapt zoals iemand anders. Een transfer maken kost tijd. Een rolstoel uitladen kost tijd. Leven met een beperking past niet in minuten van een standaardsysteem. Ik wist dat ik binnen het uur terug zou zijn. Het leek dus een logische keuze. Maar nergens stond dat deze regeling hier niet gold. Geen bord. Geen melding. Geen enkele aanduiding. Pas achteraf hoorde ik dat die informatie op een website stond. Een merkwaardige redenering. Als elk lokaal verkeersreglement enkel online zou staan en nergens zichtbaar op straat, werd verkeer één groot gokspel. Regels die afwijken van wat mensen redelijk mogen verwachten, horen zichtbaar te zijn waar ze gelden.

Zeker wanneer ze mensen met een beperking rechtstreeks raken. Ik stuurde een mail naar de schepen. De uitleg was vriendelijk: het systeem kan technisch geen onderscheid maken. Maar daar zit precies het probleem. Toegankelijk beleid hoort te vertrekken vanuit de noden van burgers, niet vanuit de beperkingen van software. Technologie is door mensen gemaakt. Dus technologie kan aangepast worden. In andere steden gebeurt dat ook. Daar begrijpt men dat een rolstoel niet zomaar uit een wagen verschijnt. Je hebt tijd nodig. Ruimte. Energie. Soms ben je tien minuten verder vóór je überhaupt ergens bent binnengestapt. Dat is geen uitzondering. Dat is realiteit. En daar wordt het wrang.

Want zoals mij werd uitgelegd, mogen  parkeerwachters een wagen die onterecht op een parkeerplaats voor personen met een handicap staat, niet zomaar zelf bekeuren. Daar moet politie bij komen. Laat dat even binnenkomen.

Wie misbruik maakt van een plaats die bedoeld is om drempels weg te nemen, loopt soms minder risico op een snelle sanctie dan iemand die door gebrek aan alternatief elders parkeert. De plaatsen die deelname mogelijk moeten maken, worden ingenomen. De handhaving daarop is beperkt. Maar als jij noodgedwongen ergens anders belandt? Dan werkt het systeem plots feilloos. En dan volgt steevast dat ene zinnetje: “Parkeer toch wat verder.” Voor wie gezond is, betekent dat misschien een paar extra stappen. Voor iemand anders kan dat het verschil zijn tussen deelnemen of afhaken. Afstand wordt niet voor iedereen in meters gemeten. Soms in pijn. Soms in energie. Soms in die stille afweging of iets de moeite nog waard is.

En dit gaat niet alleen over rolstoelen. Dit gaat over mensen met hersenletsel. Chronische pijn.  Evenwichtsstoornissen. Vermoeidheid. Onzichtbare beperkingen. Mantelzorgers. Na mijn verhaal kwamen de reacties. Veel reacties. Niet omdat parkeren zo’n groot thema is. Maar omdat herkenning dat wel is. “Wij ook.” “Hier exact hetzelfde.” “Veel begrip. Geen verandering.”

Misschien is dát nog het meest vermoeiende. Dat ik duidelijk niet de eerste was. Dat sommigen jaren geleden exact dezelfde mail kregen. Zelfde begrip. Zelfde uitleg. Zelfde stilstand. Dat maakt me boos.

Omdat onze samenleving perfect weet hoe empathie klinkt. Een vriendelijke mail. Correct geformuleerd. Vol begrip. Maar beleefdheid zonder bereidheid tot verandering voelt op den duur niet empathisch. Het voelt cynisch. Bijna respectloos.

Ik heb niets aan een perfect antwoord dat de realiteit onaangeroerd laat. Dan spreek ik net zo goed met een chatbox. Die antwoordt ook foutloos. Maar denkt alleen na als iemand haar daartoe programmeert.

En daar stopt het niet. Want wat gebeurt er wanneer mensen met een beperking wél willen werken? Hoeveel sollicitaties stranden nog vóór een eerste gesprek? Hoe vaak verdwijnt talent achter een rolstoel, een diagnose, een medische voorgeschiedenis? We controleren langdurig zieken streng op wat ze niet meer kunnen. Maar wie controleert hoeveel kansen hen systematisch geweigerd worden? Als de overheid langdurig zieken richting werk wil duwen, moet ze ook durven kijken naar de andere kant.

Waarom bestaan er controles en quota voor sommige vormen van discriminatie, maar blijft discriminatie tegenover mensen met een handicap zo vaak onzichtbaar? Waarom spreekt men zo graag over activering, terwijl amper een fractie van het ambtenarenapparaat bestaat uit mensen met een erkende arbeidsbeperking?

Inclusie is geen slogan. Geen checkbox. Geen vriendelijke mail. Inclusie is of iemand effectief mee kan. Kan werken. Kan parkeren. Kan binnen geraken. Kan leven zonder telkens eerst een extra hindernissenparcours af te leggen.

Misschien is dat de echte vraag. Niet hoeveel veerkracht mensen met een beperking nog moeten opbrengen. Maar hoeveel veerkracht een samenleving zelf heeft om zich eindelijk aan te passen.

Glenn Van Sinay – mei 2026