… De zomer komt altijd binnen zonder te kloppen.
Plots staan de ramen open. Ruikt de straat naar gemaaid gras en zonnecrème. Komen de stoelen weer buiten, worden fietsen van stal gehaald en vult de wereld zich met mensen die zeggen: “Kom, we gaan eens buiten.” Naar een terras. Naar het park. Naar zee. Gewoon even wandelen.
Voor veel mensen is de zomer het seizoen van vrijheid. Van langer licht, blote voeten, spontane plannen en dagen die nergens naartoe hoeven. Maar wie leeft met een hersenaandoening weet dat lichtheid soms zwaar kan wegen.
De zomer vraagt niet hoe je nacht was. Hoeveel prikkels je al hebt verwerkt voor de dag goed en wel begonnen is. Of je hoofd vandaag wil meewerken, je lichaam wil gehoorzamen, je evenwicht betrouwbaar is, of je energie al opgebruikt raakte aan iets wat voor een ander nauwelijks telt.
De zomer zegt alleen: kom mee. En soms wil je niets liever. Soms zit het verlangen niet in grote dingen. Niet in verre reizen of volle agenda’s. Soms zou je gewoon willen opstaan zonder eerst te onderhandelen met je eigen lichaam. Mee aan tafel schuiven zonder na een halfuur naar stilte te verlangen. Een wandeling maken zonder dat elke meter vooraf berekend moet worden. Niet moeten uitleggen waarom iets wat er eenvoudig uitziet, voor jou een hele onderneming is.
Er bestaat een bijzonder soort verdriet waarvoor we nog geen woord hadden. Middenheimwee, misschien. Heimwee naar iets waar je nog middenin zit.
Je hoort het lachen op het terras. Je ziet de kinderen door het water rennen. Je voelt de zon op je gezicht. Je bent er. En toch kan er een afstand zijn die niemand ziet. Niet omdat je niet dankbaar bent. Niet omdat je niet wilt genieten. Maar omdat genieten soms ook kracht vraagt. Omdat aanwezig zijn niet altijd hetzelfde is als kunnen deelnemen.
Middenheimwee is niet het verlangen naar een tijd die voorbij is. Het is het verlangen naar vanzelfsprekendheid, terwijl het leven rondom jou gewoon doorgaat. Naar mee kunnen zonder vooraf te moeten rekenen. Naar blijven zonder achteraf dagen te moeten herstellen. Naar gewoon mens zijn, zonder dat elke uitstap, elk gesprek, elke zonnige middag ook een afweging wordt.
We spreken vaak over wat mensen met een hersenaandoening verliezen: functies, snelheid, zelfstandigheid, zekerheid. Maar minder vaak over wat zij elke dag opnieuw proberen te bewaren. Hun plek aan tafel. Hun humor. Hun rol in het gezin. Hun plannen. Hun recht om niet alleen patiënt te zijn, maar mens.
Een mens die nog altijd houdt van muziek door een open raam. Van koffie in de ochtendzon. Van het geluid van iemand die zegt: “Ik heb aan jou gedacht.” Van erbij horen, ook wanneer dat op een andere manier moet dan vroeger.
Misschien moeten we daarom deze zomer niet alleen vragen: “Ga je mee?” Misschien moeten we vaker vragen: “Wat heb jij nodig om mee te kunnen?”
Een plek in de schaduw. Een stoel dichtbij. Minder lawaai. Meer tijd. Geen uitleg hoeven geven wanneer het even niet lukt. Of gewoon iemand die blijft zitten wanneer de rest al verder wandelt.
Vrijheid is niet dat iedereen hetzelfde kan doen. Vrijheid is dat niemand vergeten wordt omdat zijn weg trager, stiller of anders geworden is. De zomer hoeft niet kleiner te worden voor mensen met een kwetsbaar brein. Maar misschien mag ze wel wat zachter.
